Словник
28 слів · сторінка 1 з 2
taalA1
мова
Nederlands is een moeilijke taal.
tachtigA1
вісімдесят
Mijn oma is tachtig jaar.
tandenborstelA1
зубна щітка
Vergeet je tandenborstel niet.
tasA1
сумка
Mijn tas staat naast de stoel.
tegelijkA2
одночасно
Praat niet allemaal tegelijk.
tegenwoordigA2
нині
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.
tekenenA2
малювати
Mijn dochter tekent graag.
telefoonA1
телефон
Mijn telefoon is leeg.
televisieA1
телевізор
De televisie staat de hele dag aan.
tellenA1
рахувати
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
terugA1
назад
Ik ben om zes uur terug.
terugkomenA2
повертатися
Hij komt volgende week terug.
thuisA1
вдома
Vandaag werk ik thuis.
thuisblijvenA2
залишатися вдома
Ik blijf vandaag thuis.
tienA1
десять
Ik heb nog tien minuten.
tijdstipA2
момент часу
Wat is een handig tijdstip voor jou?
tochA2
все ж, все-таки
Het was koud, maar we gingen toch.
toestaanA2
дозволяти
Honden zijn hier niet toegestaan.
totA1
до
De winkel is open tot zes uur.
tot ziensA1
до побачення
Tot ziens, fijne dag nog!
touwA1
мотузка
Bind de doos vast met touw.
trouwensA2
до речі
Trouwens, heb je die brief al gelezen?
tussenA1
між
De winkel zit tussen de bank en het café.
twaalfA1
дванадцять
We eten om twaalf uur.
tweeA1
два
Ik heb twee kinderen.

