Словник
11 слів · сторінка 1 з 1
lachenA1
сміятися
We hebben veel gelachen.
langskomenA2
заходити, заглядати
Kom je vanavond even langs?
latenA2
дозволяти; віддавати (у ремонт)
Ik laat mijn fiets repareren.
leggenA1
класти
Leg het boek op tafel.
lerenA2
вчити(ся)
Ik leer nu een jaar Nederlands.
lezenA2
читати
Lees de tekst nog een keer.
liggenA1
лежати, знаходитися
Het boek ligt op tafel.
lijkenA1
здаватися
Het lijkt me een goed idee.
lopenA1
ходити пішки
Ik loop elke dag naar mijn werk.
luisterenA2
слухати
Luister goed naar de vraag.
lukkenA2
вдаватися
Het is me gelukt!

