Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

31 слів · сторінка 1 з 2

  • aandringenB1

    наполягати

    Hij bleef aandringen op een antwoord.

  • aanradenB1

    радити

    Ik raad je aan om vroeg te komen.

  • aansprekenB1

    звертатися до, робити зауваження

    Ik durfde hem er niet op aan te spreken.

  • aanvullenB1

    доповнювати

    Wil iemand dat nog aanvullen?

  • afsprekenB1

    домовлятися

    Zullen we iets afspreken voor vrijdag?

  • afwijzenB1

    відхиляти

    Mijn aanvraag is afgewezen.

  • bedoelenB1

    мати на увазі

    Wat bedoel je precies?

  • belovenB1

    обіцяти

    Hij beloofde het morgen af te maken.

  • benaderenB1

    звертатися до

    U kunt ons per e-mail benaderen.

  • besprekenB1

    обговорювати

    Dat bespreken we morgen in de vergadering.

  • bevestigenB1

    підтверджувати

    Kunt u de afspraak per mail bevestigen?

  • doorgevenB1

    передавати

    Kun je dat aan je collega doorgeven?

  • doorverbindenB1

    з'єднувати (по телефону)

    Ik verbind u door met de juiste afdeling.

  • feliciterenB1

    вітати

    Ik wil je feliciteren met je nieuwe baan.

  • herhalenB1

    повторювати

    Kunt u dat herhalen, alstublieft?

  • informerenB1

    інформувати; довідуватися

    Wij informeren u zodra er nieuws is.

  • instemmenB1

    погоджуватися

    De meerderheid stemde met het voorstel in.

  • klagenB1

    скаржитися

    De buren klagen over het lawaai.

  • meedelenB1

    повідомляти (офіційно)

    Wij delen u mee dat de afspraak verzet is.

  • navragenB1

    уточнювати, дізнаватися

    Ik zal het even navragen bij de gemeente.

  • onderhandelenB1

    вести переговори

    We onderhandelen nog over de prijs.

  • overleggenB1

    радитися

    Ik moet eerst met mijn collega overleggen.

  • reagerenB1

    реагувати, відповідати

    Hij heeft nog niet op mijn mail gereageerd.

  • terugbellenB1

    передзвонювати

    Kunt u mij vanmiddag terugbellen?

  • toegevenB1

    визнавати

    Ze gaf toe dat ze fout zat.