Kelime Bilgisi
20 kelime · sayfa 1 / 1
zachtA1
yumuşak
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
cep; torba
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zalfA2
merhem
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
zaterdagA1
cumartesi
Op zaterdag doe ik boodschappen.
zebrapadA2
yaya geçidi
Steek over bij het zebrapad.
zeepA1
sabun
Was je handen met zeep.
zekerA2
emin
Weet je dat zeker?
zelfA1
kendi
Dat heb ik zelf gemaakt.
ziekA1
hasta
Ik ben vandaag ziek.
ziekenhuisA2
hastane
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
ziekteA1
hastalık
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
zolderA1
çatı katı
De oude spullen liggen op zolder.
zomerA1
yaz
In de zomer gaan we naar het strand.
zondagA1
pazar
Zondag zijn veel winkels dicht.
zoonA1
oğul
Hun zoon gaat naar school.
zoutA1
tuz
Er zit te veel zout in.
zusA1
kız kardeş
Ik bel mijn zus elke week.
zwagerA1
kayınbirader
Mijn zwager woont in Rotterdam.
zwakA1
zayıf
Na de griep voelde ik me zwak.
zwangerA2
hamile
Mijn zus is zeven maanden zwanger.

