Kelime Bilgisi
69 kelime · sayfa 2 / 3
tellenA1
saymak
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
terugA1
geri
Ik ben om zes uur terug.
terugbetalenA2
geri ödemek
Ik betaal je volgende week terug.
terugkomenA2
geri dönmek
Hij komt volgende week terug.
theeA1
çay
Ik drink liever thee dan koffie.
thermometerA2
termometre
Meet even met de thermometer.
thermostaatA2
termostat
Zet de thermostaat op negentien graden.
thuisA1
evde
Vandaag werk ik thuis.
thuisblijvenA2
evde kalmak
Ik blijf vandaag thuis.
tienA1
on
Ik heb nog tien minuten.
tijdA1
zaman
Ik heb geen tijd vandaag.
tijdensA1
sırasında
Tijdens de les mag je niet bellen.
tijdstipA2
zaman noktası
Wat is een handig tijdstip voor jou?
tochA2
yine de
Het was koud, maar we gingen toch.
toeslagA2
yardım ödeneği
Je kunt huurtoeslag aanvragen.
toestaanA2
izin vermek
Honden zijn hier niet toegestaan.
toiletA1
tuvalet
Waar is het toilet?
tomaatA1
domates
Doe een tomaat in de salade.
tongA1
dil (organ)
Steek uw tong uit, zegt de dokter.
totA1
-e kadar
De winkel is open tot zes uur.
tot ziensA1
görüşmek üzere
Tot ziens, fijne dag nog!
touwA1
ip
Bind de doos vast met touw.
trakterenA2
ikram etmek
Op je verjaardag trakteer je op gebak.
tramA2
tramvay
Neem tram 4 naar het centrum.
trapA1
merdiven
De trap is erg steil.

