Kelime Bilgisi
34 kelime · sayfa 1 / 2
samenlevenB1ayrılabilir
leefde samen · hebben samengeleefd
birlikte yaşamak
Samenleven met verschillende culturen vraagt inzet.
samenwerkenB1ayrılabilir
werkte samen · hebben samengewerkt
birlikte çalışmak
We moeten beter samenwerken.
zich schamenB1dönüşlü
schaamde · hebben geschaamd
utanmak
Hij schaamde zich voor zijn fout.
schattenB1
schatte · hebben geschat
tahmini hesaplamak
Ik schat dat de reparatie tweehonderd euro kost.
scheidenA1düzensiz
scheidde · scheidden · zijn gescheiden
boşanmak
Mijn ouders zijn gescheiden.
schoonmakenA2ayrılabilir
maakte schoon · hebben schoongemaakt
temizlemek
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA1düzensiz
schreef · schreven · hebben geschreven
yazmak
Schrijf je naam op het formulier.
scorenA2
scoorde · hebben gescoord
gol atmak
Hij scoorde in de laatste minuut het winnende doelpunt.
slaanB1düzensiz
sloeg · sloegen · hebben geslagen
vurmak
Je mag een kind nooit slaan.
slagenB1
slaagde · zijn geslaagd
geçmek
Zij is voor het examen geslaagd.
başarılı olmak, iyi gitmek
De operatie is helemaal geslaagd.
slapenA1düzensiz
sliep · sliepen · hebben geslapen
uyumak
Ik heb slecht geslapen.
sluitenA1düzensiz
sloot · sloten · hebben gesloten
kapatmak
De deur sluit automatisch.
snappenA2
snapte · hebben gesnapt
anlamak (gündelik)
Ik snap niet wat de docent bedoelt.
snijdenA2düzensiz
sneed · sneden · hebben gesneden
kesmek
Snijd de groente in kleine stukjes.
solliciterenB1
solliciteerde · hebben gesolliciteerd
iş başvurusu yapmak
Ik heb op drie vacatures gesolliciteerd.
sparenA2
spaarde · hebben gespaard
biriktirmek
We sparen voor een nieuwe auto.
spelenA1
speelde · hebben gespeeld
oynamak
De kinderen spelen in de tuin.
geçmek (bir hikâye için)
Het verhaal speelt in Amsterdam, vlak na de oorlog.
sprekenA1düzensiz
sprak · spraken · hebben gesproken
konuşmak
Spreekt u Nederlands?
springenA1düzensiz
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
zıplamak
Hij sprong over de sloot.
staanA1düzensiz
stond · stonden · hebben gestaan
durmak
De auto staat voor het huis.
yazmak, yazılı olmak
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.
stappenA2
stapte · hebben/zijn gestapt
adım atmak
Hij stapte snel in de auto en reed weg.
startenA2
startte · hebben/zijn gestart
çalıştırmak; başlamak
Mijn auto wil vanochtend door de kou niet starten.
stekenB1düzensiz
stak · staken · hebben gestoken
sokmak; sokmak (koymak)
Pas op, die bijen kunnen steken.
stelenA2düzensiz
stal · stalen · hebben gestolen
çalmak
Iemand heeft gisteren mijn fiets gestolen.
stellenB1
stelde · hebben gesteld
(soru) sormak; koymak
Mag ik u een paar vragen stellen?

