Словарь
612 слов · страница 9 из 25
iedereenA1
все
Iedereen is welkom.
iemandA1
кто-то
Er staat iemand voor de deur.
ietsA1
что-то
Wil je iets drinken?
ijsA1
лёд, мороженое
De kinderen willen een ijsje.
inA1
в
Het zit in de kast.
jaarA1
год
Ik woon hier al drie jaar.
jaarlijksA1
ежегодно
Er is jaarlijks een buurtfeest.
jamA1
джем, варенье
Ik eet brood met jam.
januariA1
январь
Mijn cursus begint in januari.
jarigA1
именинник
Mijn zoon is vandaag jarig.
jasA1
куртка
Doe je jas aan, het is koud.
jongA1
молодой
Zij is nog heel jong.
jongenA1
мальчик
Die jongen is mijn zoon.
juliA1
июль
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
июнь
In juni beginnen de examens.
jurkA1
платье
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.
kaarsA1
свеча
Op tafel brandt een kaars.
kaartA1
открытка; карта
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
kaasA1
сыр
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
kachelA1
обогреватель, печь
Zet de kachel wat hoger.
kamA1
расчёска
Mag ik je kam even lenen?
kamerA1
комната
Mijn kamer is niet zo groot.
kaneelA1
корица
Doe wat kaneel op de appels.
kansA1
шанс, возможность
Dit is een mooie kans voor jou.
kastA1
шкаф
Je jas hangt in de kast.

