Словарь
1230 слов · страница 7 из 50
budgetA2
бюджет
Mijn budget voor deze maand is op.
buikA1
живот
Ik heb buikpijn.
buikpijnA2
боль в животе
Het kind heeft buikpijn.
buitenlampA1
наружный светильник
De buitenlamp gaat automatisch aan.
buitenruimteA2
открытое пространство (у жилья)
De woning heeft geen buitenruimte.
burenA2
соседи
Onze buren zijn erg vriendelijk.
busA2
автобус
De bus stopt voor het station.
bushokjeA2
автобусная остановка (навес)
We schuilden in het bushokje voor de regen.
buspasA2
проездной на автобус
Met een buspas reis je goedkoper.
buurmanA1
сосед
De buurman helpt ons vaak.
buurvrouwA1
соседка
De buurvrouw past op de kinderen.
champignonA1
шампиньон
In de saus zitten champignons.
chauffeurA2
водитель
Vraag het even aan de chauffeur.
chocoladeA1
шоколад
Zij houdt van donkere chocolade.
cijferlijstA2
ведомость оценок
Op de cijferlijst staan al je resultaten.
citroenA1
лимон
Doe wat citroen in het water.
collegaA2
коллега
Mijn collega helpt mij graag.
computerA1
компьютер
Mijn computer is heel langzaam.
conducteurA2
кондуктор
De conducteur controleerde de kaartjes.
contantA2
наличные
Wij nemen geen contant geld aan.
contractA2
контракт
Ik heb het contract nog niet getekend.
controlerenA2
проверять
Controleer je gegevens voordat je verstuurt.
cursusgeldA2
плата за курс
Het cursusgeld betaal je vooraf.
cursusleiderA2
руководитель курса
De cursusleider legt het programma uit.
cursusmapA2
папка с материалами курса
Neem je cursusmap mee naar de les.

