Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

612 слов · страница 7 из 25

  • glasA1

    стакан

    Mag ik een glas water?

  • goedA1

    хороший

    Het gaat goed met mij.

  • goedemorgenA1

    доброе утро

    Goedemorgen, komt u binnen.

  • goedenavondA1

    добрый вечер

    Goedenavond, komt u binnen.

  • goedendagA1

    добрый день

    Goedendag, waarmee kan ik u helpen?

  • gootsteenA1

    раковина

    De vuile borden staan in de gootsteen.

  • graagA1

    охотно, с удовольствием

    Ik drink graag koffie.

  • grijsA1

    серый

    De lucht is vandaag grijs.

  • groenA1

    зелёный

    Het licht is groen, je mag gaan.

  • grootA1

    большой

    Zij wonen in een groot huis.

  • haarA1

    волосы

    Zij heeft lang haar.

  • hagelslagA1

    шоколадная посыпка

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • halfA1

    половина

    Het is half acht.

  • halloA1

    привет

    Hallo, hoe gaat het?

  • hamA1

    ветчина

    Ik neem een boterham met ham.

  • handA1

    рука (кисть)

    Was je handen voor het eten.

  • handdoekA1

    полотенце

    De handdoek hangt in de badkamer.

  • handigA1

    удобный, практичный

    Dat is een handige app.

  • hardA1

    твёрдый; громкий

    Het bed is te hard.

  • hartA1

    сердце

    Mijn hart klopt snel.

  • hartslagA1

    пульс, сердцебиение

    Mijn hartslag gaat snel na het sporten.

  • hebbenA1

    иметь

    Wij hebben twee kinderen.

  • heelA1

    очень; целый

    Het is heel warm vandaag.

  • hekA1

    забор, калитка

    Doe het hek achter je dicht.

  • helftA1

    половина (часть)

    De helft van de klas was ziek.