Словарь
804 слов · страница 7 из 33
doekA1
тряпка
Veeg de tafel af met een doek.
doelA2
цель
Wat is het doel van deze cursus?
dokterA1
врач
Ik ga morgen naar de dokter.
donderdagA1
четверг
De les is op donderdagavond.
doosA1
коробка
De boeken zitten in een doos.
dorpA1
деревня
Zij komt uit een klein dorp.
dorstA1
жажда
Heb je dorst?
doucheA1
душ
Ik neem 's ochtends een douche.
drankA2
напиток
Wat voor drank wil je erbij?
drempelA1
порог
Pas op voor de drempel bij de deur.
droogA1
сухой
De was is nog niet droog.
druifA1
виноград
Deze druiven zijn erg zoet.
dunA1
тонкий
Snijd het brood dun.
echtA1
настоящий, действительно
Is dat echt waar?
echtgenootA1
супруг
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
eerstA1
сначала
Ik ga eerst douchen.
eetgewoonteA2
пищевая привычка
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
eetlustA2
аппетит
Door de koorts heb ik geen eetlust.
eiA1
яйцо
Ik eet 's ochtends een ei.
eindtoetsA2
итоговый тест
De eindtoets is in juni.
elektriciteitA2
электричество
De elektriciteit is vanochtend uitgevallen.
elleboogA1
локоть
Ik heb mijn elleboog gestoten.
emmerA1
ведро
Vul de emmer met water.
energielabelA2
энергетический класс
Dit huis heeft energielabel C.
enkelA1
лодыжка
Ik heb mijn enkel verzwikt.

