Словарь
612 слов · страница 6 из 25
februariA1
февраль
In februari is het meestal koud.
feestA1
праздник, вечеринка
Zaterdag is er een feest.
fietsenA1
ездить на велосипеде
Ik fiets elke dag naar school.
filmA1
фильм
We kijken vanavond een film.
flesA1
бутылка
Er staat een fles wijn op tafel.
fotoA1
фотография
Dit is een foto van mijn familie.
foutA1
ошибка; неверный
Ik heb een fout gemaakt.
gaanA1
идти, ехать
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gangA1
коридор
Zet je schoenen in de gang.
garageA1
гараж
De fiets staat in de garage.
gauwA1
скоро
Tot gauw!
gebakA1
выпечка, пирожное
Bij de koffie was er gebak.
geelA1
жёлтый
De bloemen in de tuin zijn geel.
geenA1
нет, никакой
Ik heb geen tijd.
gelijkA1
прав; одинаковый
Je hebt gelijk.
gelovenA1
верить
Ik geloof je wel.
gelukA1
удача, счастье
Veel geluk met je nieuwe baan!
genoegA1
достаточно
Er is genoeg eten voor iedereen.
gereedschapA1
инструменты
Het gereedschap ligt in de schuur.
getalA1
число
Schrijf het getal in cijfers.
getrouwdA1
женат / замужем
Zij is al tien jaar getrouwd.
gevenA1
давать
Geef mij het zout, alsjeblieft.
gezichtA1
лицо
Was je gezicht met koud water.
gezinA1
семья (домохозяйство)
Ons gezin bestaat uit vier personen.
gisterenA1
вчера
Gisteren was ik ziek.

