Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

277 слов · страница 6 из 12

  • meemakenA2

    переживать, испытывать

    Ik heb veel meegemaakt dit jaar.

  • meenemenA2

    брать с собой

    Neem je paspoort mee.

  • meldenB1

    сообщать, уведомлять

    U moet een verhuizing melden bij de gemeente.

  • merkenA2

    замечать

    Ik merk dat het beter gaat.

  • missenA2

    пропустить; скучать

    Ik heb de bus gemist.

  • moetenA1

    быть должным

    Ik moet nu weg.

  • mogenA1

    можно, иметь право

    Mag ik hier zitten?

  • motiverenB1

    мотивировать

    De docent weet studenten goed te motiveren.

  • naarA1

    к, в (направление)

    Ik ga naar mijn werk.

  • nadenkenA2

    обдумывать

    Ik moet er nog even over nadenken.

  • navragenB1

    уточнять, узнавать

    Ik zal het even navragen bij de gemeente.

  • nemenA1

    брать

    Ik neem de trein van acht uur.

  • oefenenB1

    тренироваться

    Je moet elke dag oefenen.

  • onderhandelenB1

    вести переговоры

    We onderhandelen nog over de prijs.

  • ondertekenenA2

    подписывать

    Onderteken het contract onderaan.

  • ontbijtenA2

    завтракать

    Wij ontbijten om zeven uur.

  • ontdekkenA2

    обнаруживать

    Ik ontdekte een fout in het formulier.

  • onthoudenA2

    запоминать

    Ik kan die naam nooit onthouden.

  • ontmoetenA2

    встречать, знакомиться

    Ik heb haar op een cursus ontmoet.

  • ontslaanA2

    увольнять

    Er worden dit jaar geen mensen ontslagen.

  • ontspannenB1

    расслабляться

    In het weekend probeer ik te ontspannen.

  • ontvangenA2

    получать

    Ik heb je bericht ontvangen.

  • opbellenA2

    звонить (по телефону)

    Ik bel je morgen op.

  • opbergenA2

    убирать (на место)

    Berg je spullen op in de kast.

  • openenA1

    открывать

    De winkel opent om negen uur.