Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

198 слов · страница 5 из 8

  • ontvangenA2

    получать

    Ik heb je bericht ontvangen.

  • opbellenA2

    звонить (по телефону)

    Ik bel je morgen op.

  • opbergenA2

    убирать (на место)

    Berg je spullen op in de kast.

  • openenA1

    открывать

    De winkel opent om negen uur.

  • ophalenA2

    забирать, заезжать за

    Ik haal je om zeven uur op.

  • oplettenA2

    быть внимательным

    Let goed op bij het oversteken.

  • opruimenA2

    прибирать (вещи)

    Ruim je spullen even op.

  • opvallenA2

    бросаться в глаза

    Het valt me op dat je beter spreekt.

  • opwarmenA2

    разогревать

    Warm het eten even op in de magnetron.

  • opzeggenA2

    расторгать, отменять

    Ik wil mijn contract opzeggen.

  • opzoekenA2

    искать (в справочнике)

    Zoek het woord even op.

  • overstappenA2

    делать пересадку

    In Utrecht moet je overstappen.

  • pakkenA1

    брать, хватать

    Pak even een glas voor me.

  • parkerenA2

    парковаться

    Hier mag je niet parkeren.

  • passenA2

    мерить; подходить

    Mag ik deze broek even passen?

  • pinnenA2

    платить картой

    Kan ik hier pinnen?

  • poetsenA1

    чистить

    Poets je tanden twee keer per dag.

  • pratenA1

    разговаривать

    We praten straks verder.

  • printenA2

    распечатывать

    Kun je dit formulier even printen?

  • proberenA2

    пробовать

    Wil je dit even proberen?

  • proevenA2

    пробовать (на вкус)

    Wil je even proeven of het goed is?

  • radenA1

    угадывать

    Raad eens wie ik zag!

  • regelenA2

    устраивать, улаживать

    Ik regel het morgen wel.

  • reizenA1

    путешествовать, ездить

    Ik reis elke dag met de trein.

  • rekenenA2

    считать, вычислять

    Ik moet even rekenen hoeveel het kost.