Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

198 слов · страница 4 из 8

  • lerenA2

    учить(ся)

    Ik leer nu een jaar Nederlands.

  • lezenA2

    читать

    Lees de tekst nog een keer.

  • liggenA1

    лежать, находиться

    Het boek ligt op tafel.

  • lijkenA1

    казаться

    Het lijkt me een goed idee.

  • lopenA1

    ходить пешком

    Ik loop elke dag naar mijn werk.

  • luisterenA2

    слушать

    Luister goed naar de vraag.

  • lukkenA2

    удаваться

    Het is me gelukt!

  • mailenA2

    отправлять по почте (эл.)

    Ik mail je de documenten vanavond.

  • makenA1

    делать, изготавливать

    Ik maak het eten klaar.

  • meedoenA2

    участвовать

    Doe je mee met de cursus?

  • meemakenA2

    переживать, испытывать

    Ik heb veel meegemaakt dit jaar.

  • meenemenA2

    брать с собой

    Neem je paspoort mee.

  • merkenA2

    замечать

    Ik merk dat het beter gaat.

  • missenA2

    пропустить; скучать

    Ik heb de bus gemist.

  • moetenA1

    быть должным

    Ik moet nu weg.

  • mogenA1

    можно, иметь право

    Mag ik hier zitten?

  • naarA1

    к, в (направление)

    Ik ga naar mijn werk.

  • nadenkenA2

    обдумывать

    Ik moet er nog even over nadenken.

  • nemenA1

    брать

    Ik neem de trein van acht uur.

  • ondertekenenA2

    подписывать

    Onderteken het contract onderaan.

  • ontbijtenA2

    завтракать

    Wij ontbijten om zeven uur.

  • ontdekkenA2

    обнаруживать

    Ik ontdekte een fout in het formulier.

  • onthoudenA2

    запоминать

    Ik kan die naam nooit onthouden.

  • ontmoetenA2

    встречать, знакомиться

    Ik heb haar op een cursus ontmoet.

  • ontslaanA2

    увольнять

    Er worden dit jaar geen mensen ontslagen.