Словарь
804 слов · страница 4 из 33
bitterA2
горький
Zwarte koffie smaakt bitter.
blauwA1
синий
De lucht is vandaag blauw.
blessureA2
травма
Door een blessure kan hij niet sporten.
blijA2
радостный
Ik ben blij met het resultaat.
blikjeA2
банка (жестяная)
In de koelkast staat nog een blikje.
bloedA2
кровь
Ze hebben mijn bloed onderzocht.
bloeddrukA2
давление
De dokter meet eerst uw bloeddruk.
bloemkoolA1
цветная капуста
Vanavond eten we bloemkool.
boekA1
книга
Ik lees elke avond een boek.
bonA2
чек
Bewaar de bon voor de garantie.
boodschappenA2
продукты, покупки
Ik doe zaterdag boodschappen.
boodschappenlijstjeA2
список покупок
Ik maak altijd een boodschappenlijstje.
boodschappentasA2
сумка для покупок
Neem je eigen boodschappentas mee.
boonA1
фасоль, боб
Er staan bonen op het menu.
bordA1
тарелка
Zet de borden op tafel.
borgA2
залог
De borg krijg je later terug.
borstA1
грудь
Hij voelt pijn op zijn borst.
boterA1
масло
Doe wat boter op je brood.
boterhamA1
бутерброд
Ik neem twee boterhammen mee.
breedA1
широкий
Dit is een brede straat.
briefA1
письмо
Ik heb een brief van de gemeente gekregen.
brievenbusA1
почтовый ящик
Er zit post in de brievenbus.
brilA1
очки
Zonder bril zie ik niets.
broekA1
брюки
Deze broek is te lang.
broerA1
брат
Mijn broer woont in België.

