Словарь
396 слов · страница 4 из 16
eerstA1
сначала
Ik ga eerst douchen.
eiA1
яйцо
Ik eet 's ochtends een ei.
elleboogA1
локоть
Ik heb mijn elleboog gestoten.
emmerA1
ведро
Vul de emmer met water.
enkelA1
лодыжка
Ik heb mijn enkel verzwikt.
envelopA1
конверт
Doe de brief in een envelop.
erwtA1
горох
Erwtensoep is een Nederlands wintergerecht.
etenA1
еда
Nederlands eten is soms heel simpel.
familieA1
семья
Mijn familie komt zondag eten.
familiebezoekA1
визит родственников
Zondag hebben we familiebezoek.
familielidA1
член семьи
Er komt een familielid op bezoek.
februariA1
февраль
In februari is het meestal koud.
feestA1
праздник, вечеринка
Zaterdag is er een feest.
filmA1
фильм
We kijken vanavond een film.
flesA1
бутылка
Er staat een fles wijn op tafel.
fotoA1
фотография
Dit is een foto van mijn familie.
foutA1
ошибка; неверный
Ik heb een fout gemaakt.
gangA1
коридор
Zet je schoenen in de gang.
garageA1
гараж
De fiets staat in de garage.
gauwA1
скоро
Tot gauw!
gebakA1
выпечка, пирожное
Bij de koffie was er gebak.
gelukA1
удача, счастье
Veel geluk met je nieuwe baan!
gereedschapA1
инструменты
Het gereedschap ligt in de schuur.
getalA1
число
Schrijf het getal in cijfers.
getrouwdA1
женат / замужем
Zij is al tien jaar getrouwd.

