Словарь
93 слов · страница 4 из 4
vergelijkbaarA2
сопоставимый
De prijzen zijn vergelijkbaar.
verkoudenA2
простуженный
Ik ben een beetje verkouden.
verlegenA2
застенчивый
Hij is nogal verlegen bij nieuwe mensen.
versA2
свежий
Dit brood is niet meer vers.
verschillendA2
различный
We hebben verschillende opties bekeken.
viesA1
грязный
Je schoenen zijn vies.
volA1
полный
De bus is helemaal vol.
volgendA1
следующий
Volgende week begin ik met de cursus.
vorigA1
прошлый, предыдущий
Vorig jaar woonde ik nog in Polen.
vriendA1
друг
Hij is een goede vriend van mij.
vrolijkA2
весёлый
Zij is altijd vrolijk op haar werk.
warmA1
тёплый, горячий
De soep is nog warm.
weinigA1
мало
Ik heb weinig tijd.
witA1
белый
De muren zijn wit geverfd.
zenuwachtigA2
нервничающий
Ik ben zenuwachtig voor het examen.
zoetA2
сладкий
Deze appel is heel zoet.
zuurA2
кислый
De melk is zuur geworden.
zwartA1
чёрный
Hij heeft zwarte schoenen aan.

