Словарь
804 слов · страница 32 из 33
woningcorporatieA2
жилищная корпорация
De woningcorporatie verhuurt sociale woningen.
woonadresA2
адрес проживания
Geef je nieuwe woonadres door aan de gemeente.
woonkamerA1
гостиная
De woonkamer is het grootst.
woonruimteA2
жилая площадь
Woonruimte is in deze stad schaars.
woordA1
слово
Ik ken dit woord nog niet.
woordenboekA2
словарь
Zoek het woord op in het woordenboek.
worstA1
колбаса
Bij de slager kocht ik worst.
wortelA1
морковь
Doe de wortels in de soep.
yoghurtA1
йогурт
Ik eet yoghurt bij het ontbijt.
zachtA1
мягкий
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
карман; мешок
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zalfA2
мазь
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
zaterdagA1
суббота
Op zaterdag doe ik boodschappen.
zebrapadA2
пешеходный переход
Steek over bij het zebrapad.
zeepA1
мыло
Was je handen met zeep.
zekerA2
уверенный, точно
Weet je dat zeker?
zelfA1
сам
Dat heb ik zelf gemaakt.
ziekA1
больной
Ik ben vandaag ziek.
ziekenhuisA2
больница
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
ziekteA1
болезнь
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
zolderA1
чердак
De oude spullen liggen op zolder.
zomerA1
лето
In de zomer gaan we naar het strand.
zondagA1
воскресенье
Zondag zijn veel winkels dicht.
zoonA1
сын
Hun zoon gaat naar school.
zoutA1
соль
Er zit te veel zout in.

