Словарь
2021 слов · страница 30 из 81
instantieB1
инстанция, ведомство
Neem contact op met de juiste instantie.
instappenA2
садиться (в транспорт)
U kunt achterin instappen.
instemmenB1
соглашаться
De meerderheid stemde met het voorstel in.
integratiecursusB1
интеграционный курс
Hij volgt een integratiecursus bij de gemeente.
invullenA2
заполнять
Vul het formulier volledig in.
inwerkenB1
вводить в курс дела
Een collega werkt je de eerste week in.
inzetB1
усердие, вовлечённость
Zijn inzet voor het project was groot.
isolatieA2
изоляция, утепление
Betere isolatie verlaagt de energierekening.
jaarA1
год
Ik woon hier al drie jaar.
jaarlijksA1
ежегодно
Er is jaarlijks een buurtfeest.
jaaropgaveB1
годовая справка о доходах
Bewaar je jaaropgave voor de belastingaangifte.
jaloersA2
завистливый, ревнивый
Hij is een beetje jaloers op zijn broer.
jamA1
джем, варенье
Ik eet brood met jam.
januariA1
январь
Mijn cursus begint in januari.
jarigA1
именинник
Mijn zoon is vandaag jarig.
jasA1
куртка
Doe je jas aan, het is koud.
jongA1
молодой
Zij is nog heel jong.
jongenA1
мальчик
Die jongen is mijn zoon.
jubileumB1
юбилей
De vereniging viert haar vijftigjarig jubileum.
juliA1
июль
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
июнь
In juni beginnen de examens.
jurkA1
платье
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.
kaarsA1
свеча
Op tafel brandt een kaars.
kaartA1
открытка; карта
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
kaartjeA2
билет
Ik heb mijn kaartje al gekocht.

