Словарь
1230 слов · страница 29 из 50
opdrachtA2
задание, поручение
Ik heb deze opdracht van mijn baas gekregen.
openA1
открытый
De winkel is nog open.
openenA1
открывать
De winkel opent om negen uur.
operatieA2
операция
De operatie is goed gegaan.
opgeluchtA2
испытавший облегчение
Ik was opgelucht toen het voorbij was.
opgewektA2
жизнерадостный
Ze is meestal heel opgewekt.
ophalenA2
забирать, заезжать за
Ik haal je om zeven uur op.
oplettenA2
быть внимательным
Let goed op bij het oversteken.
oplossingA2
решение
Er is vast een oplossing.
opnameA2
снятие денег
Voor elke opname bij een andere bank betaal je kosten.
opnieuwA2
заново, снова
Probeer het opnieuw.
opruimenA2
прибирать (вещи)
Ruim je spullen even op.
opvallenA2
бросаться в глаза
Het valt me op dat je beter spreekt.
opwarmenA2
разогревать
Warm het eten even op in de magnetron.
opzeggenA2
расторгать, отменять
Ik wil mijn contract opzeggen.
opzoekenA2
искать (в справочнике)
Zoek het woord even op.
oranjeA1
оранжевый
Het Nederlands elftal speelt in oranje.
oudA1
старый
Dit is een oud gebouw.
oudersA1
родители
Mijn ouders wonen nog in Polen.
ovenA2
духовка
Zet de oven op 180 graden.
ovenschaalA2
форма для запекания
Doe alles in een ovenschaal.
overA1
о; через (время)
We praten later over dit probleem.
overalA2
везде
Er liggen overal fietsen.
overmorgenA1
послезавтра
Overmorgen begint mijn vakantie.
overstappenA2
делать пересадку
In Utrecht moet je overstappen.

