Словарь
804 слов · страница 29 из 33
vertrekhalA2
зал вылета
We spreken af in de vertrekhal.
vertrektijdA2
время отправления
Wat is de vertrektijd van de trein?
verwachtingA2
ожидание
De verwachting is dat het morgen regent.
verwarmingA2
отопление
Zet de verwarming wat lager.
verzekeringA2
страховка
Een zorgverzekering is verplicht in Nederland.
vierkantA1
квадратный
Het plein is bijna vierkant.
vingerA1
палец
Ik heb mijn vinger gesneden.
visA1
рыба
Op vrijdag eten we vaak vis.
vitamineA2
витамин
In de winter slik ik extra vitamine D.
vlaA1
ванильный десерт
Als toetje eten we vla.
vleesA1
мясо
Zij eet geen vlees.
vliegtuigA2
самолёт
Het vliegtuig vertrekt om zeven uur.
vloerA1
пол
De vloer is nog nat.
vloerverwarmingA2
тёплый пол
In de badkamer ligt vloerverwarming.
voedingsmiddelA2
пищевой продукт
Sommige voedingsmiddelen bevatten veel zout.
voedingswaardeA2
пищевая ценность
De voedingswaarde staat op de verpakking.
voedselA2
продовольствие, пища
Er wordt veel voedsel weggegooid.
voetA1
ступня
Mijn voet doet zeer.
voorbeeldA2
пример
Kun je een voorbeeld geven?
voordeurA1
входная дверь
De voordeur zit op slot.
voorgerechtA2
закуска
Als voorgerecht nemen we soep.
voorraadA2
запас, наличие
We hebben het niet meer op voorraad.
voorraadkastA2
кладовая для продуктов
Het meel staat in de voorraadkast.
voorwaardeA2
условие
Lees eerst de voorwaarden.
vorkA1
вилка
Er ligt geen vork op tafel.

