Словарь
804 слов · страница 28 из 33
uniformA2
форма
Op dit werk draag je een uniform.
uurA1
час
De les duurt één uur.
vaderA1
отец
Mijn vader kookt heel goed.
vakantieaanvraagA2
заявление на отпуск
Doe je vakantieaanvraag op tijd.
vakantiedagenA2
дни отпуска
Ik heb nog tien vakantiedagen over.
veerbootA2
паром
De veerboot vertrekt elk half uur.
vensterbankA1
подоконник
Op de vensterbank staan planten.
ventilatieA2
вентиляция
Goede ventilatie voorkomt schimmel.
verA1
далеко
Is het nog ver?
veranderingA2
изменение
Dat is een grote verandering voor ons.
verbandA2
повязка, бинт
Doe er even een verband omheen.
verdiepingA1
этаж
Wij wonen op de derde verdieping.
vergaderingA2
совещание
De vergadering begint om negen uur.
vergoedingA2
компенсация
Je krijgt een vergoeding voor de reiskosten.
verhuisdoosA2
коробка для переезда
We hebben vijftig verhuisdozen nodig.
verhuizingA2
переезд
De verhuizing is volgende maand.
verjaardagA1
день рождения
Morgen is mijn verjaardag.
verkeerslichtA2
светофор
Sla linksaf bij het verkeerslicht.
verkoperA2
продавец
De verkoper hielp me met de maat.
verkoudheidA2
простуда
Een verkoudheid duurt meestal een week.
verloofdA1
помолвленный
Ze zijn sinds vorige maand verloofd.
verpakkingA2
упаковка
De verpakking is van karton.
verpleegkundigeA2
медсестра, медбрат
De verpleegkundige komt zo bij u.
verschilA2
разница
Wat is het verschil tussen deze twee?
vertragingA2
задержка
De trein heeft tien minuten vertraging.

