Словарь
2021 слов · страница 24 из 81
goedendagA1
добрый день
Goedendag, waarmee kan ik u helpen?
goedkoopA2
дешёвый
Deze winkel is vrij goedkoop.
gootsteenA1
раковина
De vuile borden staan in de gootsteen.
gordijnA2
штора
Doe de gordijnen even dicht.
graagA1
охотно, с удовольствием
Ik drink graag koffie.
gramA2
грамм
Ik heb 500 gram kaas gekocht.
grammaticaA2
грамматика
De grammatica vind ik het moeilijkst.
grasB1
трава
Het gras moet gemaaid worden.
gratisA2
бесплатно
De eerste les is gratis.
griepA2
грипп
Half kantoor heeft de griep.
griepprikA2
прививка от гриппа
Ouderen krijgen elk jaar een griepprik.
grijsA1
серый
De lucht is vandaag grijs.
groenA1
зелёный
Het licht is groen, je mag gaan.
groengebiedB1
зелёная зона
Er komt een nieuw groengebied bij de wijk.
groenstrookB1
зелёная полоса
Langs de weg ligt een brede groenstrook.
groenteA2
овощи
Eet elke dag genoeg groente.
groenvoorzieningB1
озеленение
De gemeente onderhoudt de groenvoorziening.
groepslesA2
групповое занятие
Een groepsles is goedkoper dan privéles.
groetenA2
здороваться
Groet je buren als je ze tegenkomt.
grondwaterB1
грунтовые воды
Het grondwater staat hier hoog.
grootA1
большой
Zij wonen in een groot huis.
haarA1
волосы
Zij heeft lang haar.
hagelslagA1
шоколадная посыпка
Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.
halenA2
забирать, приносить
Ik haal even brood.
halfA1
половина
Het is half acht.

