Словарь
1493 слов · страница 24 из 60
kelderA1
подвал
De fietsen staan in de kelder.
kennisB1
знания
Hij heeft veel kennis van computers.
kennistoetsB1
тест на знания
De kennistoets bestaat uit veertig vragen.
kerkA1
церковь
De kerk staat op het plein.
keukenA1
кухня
De keuken is net schoongemaakt.
keuzeA2
выбор
Er is genoeg keuze.
kilometerB1
километр
Het is nog twintig kilometer rijden.
kinA1
подбородок
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
kindA1
ребёнок
Het kind speelt in de tuin.
kinderbijslagB1
детское пособие
Ouders krijgen elk kwartaal kinderbijslag.
kipA1
курица
Ik eet liever kip dan rundvlees.
klachtB1
жалоба, симптом
Vertel de arts precies wat uw klachten zijn.
klachtbriefB1
письмо с жалобой
Ik heb een klachtbrief naar het bedrijf gestuurd.
klachtenformulierB1
бланк жалобы
Vul eerst het klachtenformulier in.
klachtenprocedureB1
процедура подачи жалоб
Elke organisatie heeft een klachtenprocedure.
klachtenrechtB1
право на жалобу
U hebt klachtenrecht bij elke instantie.
klantA2
клиент, покупатель
De klant heeft altijd gelijk.
klantcontactB1
работа с клиентами
In deze functie heb je veel klantcontact.
klantenkaartA2
карта постоянного клиента
Met een klantenkaart spaar je punten.
klantenserviceA2
служба поддержки
Bel de klantenservice als het niet werkt.
klasgenootA2
одноклассник
Mijn klasgenoot komt uit Syrië.
klaslokaalA2
классная комната
Het klaslokaal is op de tweede verdieping.
kleindochterA1
внучка
Zijn kleindochter gaat al naar school.
kleinkindA1
внук, внучка
Zij heeft drie kleinkinderen.
kleinzoonA1
внук
Haar kleinzoon is net geboren.

