Словарь
277 слов · страница 2 из 12
belovenB1
обещать
Hij beloofde het morgen af te maken.
benaderenB1
обращаться к
U kunt ons per e-mail benaderen.
bepalenA2
определять
Jij mag bepalen waar we eten.
bereidenA2
готовить (блюдо)
Dit gerecht is makkelijk te bereiden.
bereikenA2
достигать; связаться
Je kunt mij het beste per mail bereiken.
besluitenA2
решать
We hebben besloten te verhuizen.
besprekenB1
обсуждать
Dat bespreken we morgen in de vergadering.
bestaanA2
существовать
Zo'n regel bestaat hier niet.
bestellenA2
заказывать
Zullen we pizza bestellen?
betalenA2
платить
Kan ik met pin betalen?
betekenenA2
означать
Wat betekent dit woord?
bevestigenB1
подтверждать
Kunt u de afspraak per mail bevestigen?
bewarenA2
хранить
Bewaar deze brief goed.
bewegenB1
двигаться
Probeer elke dag genoeg te bewegen.
bezoekenA2
посещать
We bezoeken zondag mijn ouders.
bezorgenA2
доставлять
Ze bezorgen het pakket morgen.
bijkomenB1
приходить в себя
Ik ben nog aan het bijkomen van de reis.
blijvenA2
оставаться
Blijf je vanavond eten?
brengenA2
приносить, отвозить
Ik breng de kinderen naar school.
controlerenA2
проверять
Controleer je gegevens voordat je verstuurt.
dansenA2
танцевать
Op het feest werd er gedanst.
deelnemenB1
участвовать
Iedereen kan aan de cursus deelnemen.
delegerenB1
делегировать
Een goede leidinggevende kan delegeren.
delenA1
делить(ся)
We delen de kosten samen.
denkenA1
думать
Ik denk dat het goed komt.

