Словарь
430 слов · страница 2 из 18
het beetjeA1
немного
Ik spreek al een beetje Nederlands en Engels.
het beginA1
начало
Aan het begin van de les zeggen we iets over het weekend.
de belA1
звонок (дверной)
De bel doet het niet.
het berichtA1
сообщение
Ik stuur je straks een bericht.
de bezemA1
метла
Pak even de bezem.
het bezoekA1
гости, визит
We krijgen vanavond bezoek.
de bloemkoolA1
цветная капуста
Vanavond eten we bloemkool.
het boekA1
книга
Ik lees elke avond een boek.
de boonA1
фасоль, боб
Er staan bonen op het menu.
het bordA1
тарелка
Zet de borden op tafel.
табличка, знак
Op het bord staat dat je hier niet mag parkeren.
de borstA1
грудь
Hij voelt pijn op zijn borst.
de boterA1
масло
Doe wat boter op je brood.
de boterhamA1
бутерброд
Ik neem twee boterhammen mee.
de briefA1
письмо
Ik heb een brief van de gemeente gekregen.
de brievenbusA1
почтовый ящик
Er zit post in de brievenbus.
de brilA1
очки
Zonder bril zie ik niets.
de broekA1
брюки
Deze broek is te lang.
de broerA1
брат
Mijn broer woont in België.
de bronA1
источник
Controleer altijd de bron van een bericht.
het broodA1
хлеб
Ik eet elke ochtend brood.
de buikA1
живот
Mijn buik doet pijn.
de buitenlampA1
наружный светильник
De buitenlamp gaat automatisch aan.
de buurmanA1
сосед
De buurman helpt ons vaak.
de buurtA1
район, квартал
Onze buurt is de laatste jaren veranderd.
de buurvrouwA1
соседка
De buurvrouw past op de kinderen.

