Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

93 слов · страница 2 из 4

  • groenA1

    зелёный

    Het licht is groen, je mag gaan.

  • halfA1

    половина

    Het is half acht.

  • handigA1

    удобный, практичный

    Dat is een handige app.

  • hardA1

    твёрдый; громкий

    Het bed is te hard.

  • hoogA1

    высокий

    Dat gebouw is heel hoog.

  • jarigA1

    именинник

    Mijn zoon is vandaag jarig.

  • jongA1

    молодой

    Zij is nog heel jong.

  • klaarA2

    готов

    Het eten is klaar.

  • kleinA1

    маленький

    Mijn kamer is klein maar gezellig.

  • kortA1

    короткий

    Het was maar een korte pauze.

  • koudA1

    холодный

    Het eten is koud geworden.

  • kwaadA2

    злой, рассерженный

    Hij werd kwaad om die opmerking.

  • laatA1

    поздно

    Sorry dat ik te laat ben.

  • langzaamA1

    медленный

    Kunt u wat langzamer praten?

  • leegA1

    пустой

    Mijn glas is leeg.

  • lekkerA2

    вкусный, приятный

    Deze soep is heel lekker.

  • lelijkA1

    уродливый

    Dat gebouw vind ik lelijk.

  • leukA1

    приятный, весёлый

    Dat was een leuke avond.

  • makkelijkA1

    лёгкий

    Deze oefening is makkelijk.

  • misselijkA2

    тошнит

    Ik voel me een beetje misselijk.

  • moeA1

    усталый

    Ik ben vandaag heel moe.

  • moedigA2

    смелый

    Dat was een moedige beslissing.

  • moeilijkA1

    трудный

    Nederlands is soms moeilijk.

  • mooiA1

    красивый

    Wat een mooie foto!

  • nieuwA1

    новый

    Ik heb een nieuwe telefoon.