Словарь
5046 слов · страница 196 из 202
woonruimteA2
жилая площадь
Woonruimte is in deze stad schaars.
woordA1
слово
Ik ken dit woord nog niet.
woordaccentB2
словесное ударение
Het woordaccent kan de betekenis veranderen.
woordenboekA2
словарь
Zoek het woord op in het woordenboek.
woordenschatB2
словарный запас
Voor B2 heb je een brede woordenschat nodig.
woordgebruikB2
словоупотребление
Zijn woordgebruik is opvallend formeel.
woordgrapB2
игра слов
Een woordgrap is bijna niet te vertalen.
woordkeuzeB1
выбор слов
Let op je woordkeuze in een formele brief.
woordvoerderB2
пресс-секретарь
De woordvoerder gaf geen commentaar.
woordvolgordeB2
порядок слов
In een bijzin verandert de woordvolgorde.
wordenA2
становиться
Hij wil dokter worden.
worstA1
колбаса
Bij de slager kocht ik worst.
wortelA1
морковь
Doe de wortels in de soep.
wrokB2
обида, злоба
Zij koestert geen wrok tegen haar oude werkgever.
yoghurtA1
йогурт
Ik eet yoghurt bij het ontbijt.
zaagB2
пила
Met deze zaag gaat het sneller.
zaaienB2
сеять
In maart kun je al zaaien.
zaaigoedB2
посевной материал
Het zaaigoed komt uit eigen oogst.
zachtA1
мягкий
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
карман; мешок
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zakkenB1
провалить (экзамен)
Hij is helaas gezakt voor het examen.
zalfA2
мазь
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
zalmB2
лосось
Zalm trekt de rivier op om te paaien.
zandbankB2
песчаная отмель
Het schip liep op een zandbank.
zandgrondB2
песчаная почва
Zandgrond droogt sneller uit.

