Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

425 слов · страница 17 из 17

  • weggooienA2

    выбрасывать

    Gooi het oude papier weg.

  • weigerenB1

    отказываться

    Hij weigerde het voorstel.

  • wensenB2

    желать

    Wij wensen u veel beterschap.

  • werkenA1

    работать

    Zij werkt in een ziekenhuis.

  • wetenA1

    знать

    Ik weet het niet.

  • willenA1

    хотеть

    Ik wil graag koffie.

  • wisselenA2

    менять (деньги)

    Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?

  • wonenA1

    жить, проживать

    Wij wonen in Utrecht.

  • wordenA2

    становиться

    Hij wil dokter worden.

  • zaaienB2

    сеять

    In maart kun je al zaaien.

  • zakkenB1

    провалить (экзамен)

    Hij is helaas gezakt voor het examen.

  • zeggenA1

    говорить, сказать

    Wat zei je?

  • zettenA1

    ставить

    Zet de stoel bij het raam.

  • ziekmeldenA2

    сообщить о больничном

    Je moet je voor negen uur ziekmelden.

  • zienA1

    видеть

    Ik zie je morgen.

  • zijnA1

    быть

    Ik ben blij dat je er bent.

  • zingenA2

    петь

    Op verjaardagen zingen we een lied.

  • zittenA1

    сидеть

    Zij zit op de bank.

  • zittenblijvenB2

    оставаться на второй год

    Zittenblijven helpt niet altijd.

  • zoekenA2

    искать

    Ik zoek mijn sleutels.

  • zorgenA2

    обеспечивать; заботиться

    Ik zorg dat het op tijd klaar is.

  • zuchtenB2

    вздыхать

    Hij zuchtte diep en zei niets.

  • zullenA1

    будет (буд. время)

    Zullen we koffie drinken?

  • zwemmenB1

    плавать

    Ik ga twee keer per week zwemmen.

  • zwetenB2

    потеть

    Van de spanning begon hij te zweten.