Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

425 слов · страница 16 из 17

  • verwachtenA2

    ожидать

    We verwachten hem om zes uur.

  • verwerkenB1

    усваивать, обрабатывать

    Je moet de stof eerst goed verwerken.

  • verwijtenB2

    упрекать

    Zij verwijt hem zijn stilzwijgen.

  • verwijzenB2

    ссылаться

    De auteur verwijst naar eerder onderzoek.

  • verwoordenB2

    выражать словами

    Hij kon zijn kritiek goed verwoorden.

  • verzamelenB1

    коллекционировать, собирать

    Hij verzamelt oude postzegels.

  • verzoekenB1

    просить (официально)

    Wij verzoeken u het formulier te ondertekenen.

  • verzorgenB1

    ухаживать за

    Zij verzorgt haar moeder thuis.

  • vindenA2

    находить; считать

    Ik kan het niet vinden.

  • voelenA2

    чувствовать

    Ik voel me vandaag beter.

  • volhardenB2

    упорствовать

    Zij volhardde in haar standpunt.

  • volhoudenB2

    выдерживать, не сдаваться

    Het is zwaar, maar hij houdt vol.

  • voorbereidenA2

    готовить(ся)

    Ik bereid me voor op het examen.

  • voorkomenA2

    встречаться; предотвращать

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • voorstellenB1

    предлагать; представлять

    Mag ik een andere datum voorstellen?

  • voorzittenB2

    председательствовать

    Zij zal de vergadering voorzitten.

  • vragenA2

    спрашивать

    Mag ik iets vragen?

  • waarderenB2

    ценить

    Ik waardeer je eerlijkheid.

  • waarschuwenB1

    предупреждать

    Ik had je nog gewaarschuwd.

  • wachtenA2

    ждать

    Ik wacht al een half uur.

  • wandelenA1

    гулять

    We gaan zondag wandelen.

  • wassenA2

    стирать, мыть

    Ik moet nog kleren wassen.

  • weerleggenB2

    опровергать

    Dat argument is makkelijk te weerleggen.

  • weersprekenB2

    противоречить, опровергать

    De feiten weerspreken zijn verhaal.

  • weggaanA2

    уходить

    Wanneer ga je weg?