Словарь
396 слов · страница 16 из 16
wondA1
рана
Maak de wond eerst schoon.
woonkamerA1
гостиная
De woonkamer is het grootst.
woordA1
слово
Ik ken dit woord nog niet.
worstA1
колбаса
Bij de slager kocht ik worst.
wortelA1
морковь
Doe de wortels in de soep.
yoghurtA1
йогурт
Ik eet yoghurt bij het ontbijt.
zachtA1
мягкий
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
карман; мешок
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zaterdagA1
суббота
Op zaterdag doe ik boodschappen.
zeepA1
мыло
Was je handen met zeep.
zelfA1
сам
Dat heb ik zelf gemaakt.
ziekA1
больной
Ik ben vandaag ziek.
ziekteA1
болезнь
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
zolderA1
чердак
De oude spullen liggen op zolder.
zomerA1
лето
In de zomer gaan we naar het strand.
zondagA1
воскресенье
Zondag zijn veel winkels dicht.
zoonA1
сын
Hun zoon gaat naar school.
zoutA1
соль
Er zit te veel zout in.
zusA1
сестра
Ik bel mijn zus elke week.
zwagerA1
шурин, деверь
Mijn zwager woont in Rotterdam.
zwakA1
слабый
Na de griep voelde ik me zwak.

