Словарь
430 слов · страница 15 из 18
de taartA1
торт
Op mijn verjaardag maak ik een taart.
de tafelA1
стол
Het eten staat op tafel.
de tandA1
зуб
Er is een tand afgebroken.
de tandenborstelA1
зубная щётка
Vergeet je tandenborstel niet.
de tanteA1
тётя
Mijn tante komt op bezoek.
de tasA1
сумка
Mijn tas staat naast de stoel.
de teenA1
палец ноги
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
de tekstA1
текст
Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.
de telefoonA1
телефон
Mijn telefoon is leeg.
de televisieA1
телевизор
De televisie staat de hele dag aan.
de theeA1
чай
Ik drink liever thee dan koffie.
het thuisA1
дома
Vandaag werk ik thuis.
de tijdA1
время
Ik heb geen tijd vandaag.
het toiletA1
туалет
Waar is het toilet?
de tomaatA1
помидор
Doe een tomaat in de salade.
de tongA1
язык (орган)
Steek uw tong uit, zegt de dokter.
het touwA1
верёвка
Bind de doos vast met touw.
de trapA1
лестница
De trap is erg steil.
de tuinA1
сад
We hebben een kleine tuin achter het huis.
het tuinpadA1
садовая дорожка
Het tuinpad ligt vol bladeren.
de tuinstoelA1
садовый стул
De tuinstoelen staan in de schuur.
de tvA1
телевизор, ТВ
We kijken vanavond samen een film op tv.
de tweelingA1
близнецы
Zij heeft een tweeling gekregen.
de uiA1
лук
Van een ui moet ik huilen.
de universiteitA1
университет
Zij studeert aan de universiteit van Leiden.

