Словарь
1756 слов · страница 13 из 71
het dingA1
вещь
Wat is dat voor een ding?
de dinsdagA1
вторник
Dinsdag heb ik een afspraak.
directA1
прямой, прямолинейный
Nederlanders zijn vaak heel direct.
de directeurA2
директор
De directeur van de school spreekt met de ouders.
de discriminatieA2
дискриминация
Discriminatie op de arbeidsmarkt komt nog steeds voor.
de discussieA2
дискуссия
De discussie liep hoog op.
de dochterA1
дочь
Onze dochter is vijf jaar oud.
doeiA1
пока
Doei, tot morgen!
het doekA1
тряпка
Veeg de tafel af met een doek.
het doelA1
цель
Wat is het doel van deze cursus?
doenA1неправильный
deed · deden · hebben gedaan
делать
Wat doe je in het weekend?
de dokterA1
врач
Ik ga morgen naar de dokter.
de doktersassistentA2
ассистент врача
De doktersassistent maakt de afspraken.
domA2
глупый
Ik heb een dom foutje gemaakt in mijn brief.
de donderdagA1
четверг
De les is elke donderdag.
donkerA1
тёмный
In de winter is het om vijf uur al donker.
doodA2
мёртвый
De plant is dood, want ik vergat water te geven.
de dood
смерть
Na de dood van zijn vader verhuisde hij naar Utrecht.
doorA1
через; из-за
We liepen door het park.
de doosA1
коробка
De boeken zitten in een doos.
het dorpA1
деревня
Zij komt uit een klein dorp.
de dorstA1
жажда
Heb je dorst?
de doucheA1
душ
Ik neem 's ochtends een douche.
downloadenA2
downloadde · hebben gedownload
скачивать
Download de app op je telefoon.
draaienA2
draaide · hebben gedraaid
поворачивать, крутить
Draai de sleutel twee keer om in het slot.
dragenA1неправильный
droeg · droegen · hebben gedragen
носить
Hij draagt een zwarte jas.

