Словарь
804 слов · страница 12 из 33
huisgenootA1
сосед по квартире
Mijn huisgenoot kookt vanavond.
huisregelsA2
правила проживания
Lees de huisregels van het gebouw.
hulpA2
помощь
Bedankt voor je hulp.
huurA2
аренда
De huur moet voor de eerste van de maand betaald worden.
huurcontractA2
договор аренды
Lees het huurcontract goed door.
huurderA2
арендатор
De huurder moet kleine reparaties zelf doen.
huurverhogingA2
повышение аренды
De huurverhoging gaat in juli in.
huwelijkA1
брак, свадьба
Hun huwelijk was in juni.
ideeA2
идея
Dat is een goed idee.
iedereA1
каждый
Iedere maandag heb ik les.
ijsA1
лёд, мороженое
De kinderen willen een ijsje.
informatieA2
информация
Meer informatie vind je op de website.
ingrediëntA2
ингредиент
Welke ingrediënten heb je nodig?
inkomenA2
доход
Zijn inkomen is dit jaar gestegen.
inschrijfgeldA2
регистрационный взнос
Het inschrijfgeld betaal je één keer.
isolatieA2
изоляция, утепление
Betere isolatie verlaagt de energierekening.
jaarA1
год
Ik woon hier al drie jaar.
jaloersA2
завистливый, ревнивый
Hij is een beetje jaloers op zijn broer.
jamA1
джем, варенье
Ik eet brood met jam.
januariA1
январь
Mijn cursus begint in januari.
jasA1
куртка
Doe je jas aan, het is koud.
jongenA1
мальчик
Die jongen is mijn zoon.
juliA1
июль
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
июнь
In juni beginnen de examens.
jurkA1
платье
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.

