Словарь
612 слов · страница 11 из 25
kortA1
короткий
Het was maar een korte pauze.
koudA1
холодный
Het eten is koud geworden.
krantA1
газета
Mijn vader leest elke dag de krant.
krijgenA1
получать
Ik heb een brief gekregen.
kunnenA1
мочь, уметь
Kun je mij helpen?
kussenA1
подушка
Dit kussen is te hard.
kwartierA1
четверть часа
Het duurt nog een kwartier.
laagA1
низкий
De prijs is nu laag.
laatA1
поздно
Sorry dat ik te laat ben.
laatsteA1
последний
Dit is de laatste bus.
lachenA1
смеяться
We hebben veel gelachen.
lakenA1
простыня
De lakens moeten in de was.
lampA1
лампа
De lamp in de gang is kapot.
landA1
страна
Uit welk land kom je?
langA1
долго, длинный
Het duurt niet lang.
langzaamA1
медленный
Kunt u wat langzamer praten?
laterA1
позже
We bellen later wel even.
leegA1
пустой
Mijn glas is leeg.
leggenA1
класть
Leg het boek op tafel.
lelijkA1
уродливый
Dat gebouw vind ik lelijk.
lenteA1
весна
In de lente bloeien de tulpen.
lepelA1
ложка
Ik eet soep met een lepel.
letterA1
буква
Schrijf je naam met grote letters.
leukA1
приятный, весёлый
Dat was een leuke avond.
levenA1
жизнь; жить
Het leven hier is heel anders.

