Словарь
1230 слов · страница 10 из 50
droogA1
сухой
De was is nog niet droog.
druifA1
виноград
Deze druiven zijn erg zoet.
drukA2
оживлённый, загруженный
Het is druk in de stad.
duizendA1
тысяча
Er kwamen duizend bezoekers.
dunA1
тонкий
Snijd het brood dun.
durenA2
длиться
Hoe lang duurt de les?
durvenA1
осмеливаться
Ik durf het niet te vragen.
dusA1
значит, поэтому
Het is laat, dus ik ga naar huis.
duurA2
дорогой
Die telefoon is te duur.
dweilenA2
мыть пол
De vloer moet nog gedweild worden.
echtA1
настоящий, действительно
Is dat echt waar?
echtgenootA1
супруг
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
eenzaamA2
одинокий
In het begin voelde hij zich eenzaam.
eergisterenA1
позавчера
Eergisteren was ik bij de dokter.
eerstA1
сначала
Ik ga eerst douchen.
eersteA1
первый
Dit is mijn eerste dag hier.
eetgewoonteA2
пищевая привычка
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
eetlustA2
аппетит
Door de koorts heb ik geen eetlust.
eiA1
яйцо
Ik eet 's ochtends een ei.
eigenlijkA2
вообще-то, на самом деле
Eigenlijk vind ik het geen goed idee.
eindelijkA2
наконец
Eindelijk is de brief er.
eindtoetsA2
итоговый тест
De eindtoets is in juni.
elektriciteitA2
электричество
De elektriciteit is vanochtend uitgevallen.
elfA1
одиннадцать
De winkel sluit om elf uur.
elkaarA1
друг друга
We helpen elkaar.

