Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

28 слов · страница 1 из 2

  • zachtA1

    мягкий

    Dit kussen is lekker zacht.

  • zakA1

    карман; мешок

    Mijn sleutels zitten in mijn zak.

  • zaterdagA1

    суббота

    Op zaterdag doe ik boodschappen.

  • zeepA1

    мыло

    Was je handen met zeep.

  • zeggenA1

    говорить, сказать

    Wat zei je?

  • zelfA1

    сам

    Dat heb ik zelf gemaakt.

  • zesA1

    шесть

    We eten om zes uur.

  • zestigA1

    шестьдесят

    Mijn vader is zestig geworden.

  • zettenA1

    ставить

    Zet de stoel bij het raam.

  • zevenA1

    семь

    Een week heeft zeven dagen.

  • zeventigA1

    семьдесят

    Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.

  • ziekA1

    больной

    Ik ben vandaag ziek.

  • ziekteA1

    болезнь

    Het is een ziekte die vaak voorkomt.

  • zienA1

    видеть

    Ik zie je morgen.

  • zijnA1

    быть

    Ik ben blij dat je er bent.

  • zittenA1

    сидеть

    Zij zit op de bank.

  • zoA1

    так

    Doe het zo.

  • zolderA1

    чердак

    De oude spullen liggen op zolder.

  • zomerA1

    лето

    In de zomer gaan we naar het strand.

  • zondagA1

    воскресенье

    Zondag zijn veel winkels dicht.

  • zonderA1

    без

    Koffie zonder suiker, alstublieft.

  • zoonA1

    сын

    Hun zoon gaat naar school.

  • zoutA1

    соль

    Er zit te veel zout in.

  • zullenA1

    будет (буд. время)

    Zullen we koffie drinken?

  • zusA1

    сестра

    Ik bel mijn zus elke week.