Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

13 слов · страница 1 из 1

  • waarschuwenB1

    предупреждать

    Ik had je nog gewaarschuwd.

  • wachtenA2

    ждать

    Ik wacht al een half uur.

  • wandelenA1

    гулять

    We gaan zondag wandelen.

  • wassenA2

    стирать, мыть

    Ik moet nog kleren wassen.

  • weggaanA2

    уходить

    Wanneer ga je weg?

  • weggooienA2

    выбрасывать

    Gooi het oude papier weg.

  • weigerenB1

    отказываться

    Hij weigerde het voorstel.

  • werkenA1

    работать

    Zij werkt in een ziekenhuis.

  • wetenA1

    знать

    Ik weet het niet.

  • willenA1

    хотеть

    Ik wil graag koffie.

  • wisselenA2

    менять (деньги)

    Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?

  • wonenA1

    жить, проживать

    Wij wonen in Utrecht.

  • wordenA2

    становиться

    Hij wil dokter worden.