Словарь
106 слов · страница 4 из 5
voedingsmiddelA2
пищевой продукт
Sommige voedingsmiddelen bevatten veel zout.
voedingswaardeA2
пищевая ценность
De voedingswaarde staat op de verpakking.
voedselA2
продовольствие, пища
Er wordt veel voedsel weggegooid.
voelenA2
чувствовать
Ik voel me vandaag beter.
voetA1
ступня
Mijn voet doet zeer.
volA1
полный
De bus is helemaal vol.
volgendA1
следующий
Volgende week begin ik met de cursus.
voorA1
для; перед
Dit cadeau is voor jou.
vooralA2
особенно, главным образом
Ik oefen vooral spreken.
voorbeeldA2
пример
Kun je een voorbeeld geven?
voorbereidenA2
готовить(ся)
Ik bereid me voor op het examen.
voordeurA1
входная дверь
De voordeur zit op slot.
voorgerechtA2
закуска
Als voorgerecht nemen we soep.
voorkomenA2
встречаться; предотвращать
Dat probleem komt hier vaak voor.
voorraadA2
запас, наличие
We hebben het niet meer op voorraad.
voorraadkastA2
кладовая для продуктов
Het meel staat in de voorraadkast.
voortaanA2
впредь
Voortaan doen we het anders.
voorwaardeA2
условие
Lees eerst de voorwaarden.
vorigA1
прошлый, предыдущий
Vorig jaar woonde ik nog in Polen.
vorkA1
вилка
Er ligt geen vork op tafel.
vragenA2
спрашивать
Mag ik iets vragen?
vriendA1
друг
Hij is een goede vriend van mij.
vriendinA1
подруга, девушка
Mijn vriendin komt uit Spanje.
vriendschapA1
дружба
Onze vriendschap duurt al twintig jaar.
vriezerA2
морозильник
Het brood ligt in de vriezer.

