Словарь
184 слов · страница 1 из 8
vaakA1
часто
Ik ga vaak met de fiets.
vaardigheidB1
навык
Communiceren is een belangrijke vaardigheid.
vacatureB1
вакансия
Er staat een vacature op hun website.
vaccinatieB1
вакцинация
De vaccinatie is gratis.
vaccinatieprogrammaB1
программа вакцинации
Kinderen krijgen prikken via het vaccinatieprogramma.
vaderA1
отец
Mijn vader kookt heel goed.
vakB1
предмет
Wiskunde is mijn favoriete vak.
vakantieB1
отпуск, каникулы
We gaan deze zomer op vakantie naar Spanje.
vakantieaanvraagA2
заявление на отпуск
Doe je vakantieaanvraag op tijd.
vakantieadresB1
адрес на время отпуска
Geef je vakantieadres door aan je buren.
vakantiebestemmingB1
место отдыха
Spanje is een populaire vakantiebestemming.
vakantiedagenA2
дни отпуска
Ik heb nog tien vakantiedagen over.
vakantieparkB1
база отдыха
We huren een huisje op een vakantiepark.
vakantieplanningB1
планирование отпуска
De vakantieplanning maken we in januari.
vakonderdeelB1
раздел предмета
Elk vakonderdeel wordt apart getoetst.
vallenA1
падать
Pas op, je valt bijna.
vanA1
от, чей-то
Dit is de fiets van mijn broer.
vanavondA1
сегодня вечером
Vanavond blijf ik thuis.
vandaagA1
сегодня
Vandaag is het mooi weer.
vanmiddagA1
сегодня днём
Vanmiddag heb ik een afspraak.
vanmorgenA1
сегодня утром
Vanmorgen was het erg koud.
veelA1
много
Er zijn veel mensen buiten.
veerbootA2
паром
De veerboot vertrekt elk half uur.
veertigA1
сорок
Hier mag je veertig rijden.
vegetarischA2
вегетарианский
Hebben jullie ook vegetarische gerechten?

