Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

34 слов · страница 1 из 2

  • de uiA1

    лук

    Van een ui moet ik huilen.

  • uitA1

    из

    Ik kom uit Oekraïne.

  • uitbreidenB1отделяемый

    breidde uit · hebben uitgebreid

    расширять

    Het bedrijf wil volgend jaar het team uitbreiden.

  • de uitdagingB1

    вызов, трудная задача

    Een nieuwe taal leren is een grote uitdaging.

  • uiteindelijkB1

    в конце концов

    Na lang zoeken vonden we uiteindelijk een huis.

  • uiteraardB1

    разумеется

    Uiteraard mag u uw partner meenemen.

  • uitgaanB1отделяемыйнеправильный

    ging uit · gingen uit · zijn uitgegaan

    ходить развлекаться

    Vroeger gingen we elk weekend uit.


    исходить из (чего-то), предполагать

    We gaan ervan uit dat iedereen op tijd komt.

  • het uitgaanslevenB1

    ночная жизнь

    Het uitgaansleven in de stad is levendig.

  • de uitgaveA2

    трата, расход

    Dit is een grote uitgave voor ons.

  • de uitgavenB1

    расходы

    Mijn uitgaven zijn hoger dan vorig jaar.

  • uitgevenA2отделяемыйнеправильный

    gaf uit · gaven uit · hebben uitgegeven

    тратить

    Ik geef te veel geld uit aan eten.


    издавать (книги)

    Die uitgeverij geeft vooral kinderboeken uit.

  • het uitjeB1

    выезд, вылазка

    We doen jaarlijks een uitje met het team.

  • de uitkeringA2

    пособие

    Hij ontvangt tijdelijk een uitkering.

  • uitkomenA2отделяемыйнеправильный

    kwam uit · kwamen uit · zijn uitgekomen

    подходить (о времени)

    Komt dinsdag jou goed uit?


    выясниться, оказаться

    Later kwam uit dat de cijfers niet klopten.

  • de uitlegB1

    объяснение

    Bedankt voor de duidelijke uitleg.

  • uitleggenB1отделяемый

    legde uit · hebben uitgelegd

    объяснять

    Kun je dat nog een keer uitleggen?

  • uitnodigenB1отделяемый

    nodigde uit · hebben uitgenodigd

    приглашать

    Ze hebben ons uitgenodigd voor het feest.

  • de uitnodigingB1

    приглашение

    Bedankt voor de uitnodiging!

  • uitrustenB1отделяемый

    rustte uit · hebben uitgerust

    отдыхать

    Na die drukke week moet ik even uitrusten.


    оснащать, оборудовать

    De nieuwe auto is uitgerust met airco.

  • de uitslagB1

    результат (анализа); сыпь

    De uitslag van het bloedonderzoek is goed.

  • de uitspraakA2

    произношение

    Je uitspraak is al veel beter.

  • uitstappenA2отделяемый

    stapte uit · zijn uitgestapt

    выходить (из транспорта)

    Bij welke halte moet ik uitstappen?

  • uitstekendB1

    отличный, превосходный

    Je hebt het examen uitstekend gemaakt!

  • uitverkochtA2

    распродано

    Die maat is helaas uitverkocht.

  • de uitverkoopA2

    распродажа

    In januari is er uitverkoop.