Словарь
169 слов · страница 6 из 7
staanA1
стоять
De auto staat voor het huis.
stadA1
город
Amsterdam is een grote stad.
stageB1
стажировка
Hij loopt stage bij een groot bedrijf.
statiegeldA2
залог за тару
Op flessen zit statiegeld.
stationA2
вокзал
Het station is vlak bij mijn huis.
stemmenB1
голосовать
Bij de verkiezingen mag iedereen stemmen.
sterkA1
сильный
Hij is heel sterk.
stiefmoederA1
мачеха
Zijn stiefmoeder woont bij hen in huis.
stilA1
тихий
Wees even stil, alsjeblieft.
stoelA1
стул
Neem een stoel en ga zitten.
stoepA2
тротуар
Loop op de stoep, niet op het fietspad.
stofzuigenA2
пылесосить
Ik stofzuig één keer per week.
stofzuigerA2
пылесос
Waar staat de stofzuiger?
stopcontactA1
розетка
Er is hier geen stopcontact.
stoppenA2
прекращать, останавливать
Hij is gestopt met roken.
storingA2
неисправность
Er is een storing in de verwarming.
stormB1
буря, шторм
Door de storm reden er geen treinen.
stortingA2
внесение средств
De storting is nog niet zichtbaar op mijn rekening.
straatA1
улица
Ik woon in een rustige straat.
straksA1
скоро, попозже
Ik bel je straks even terug.
strandB1
пляж
Het strand is een half uur rijden.
stressB1
стресс
Door de drukte heb ik veel stress.
stroopwafelA1
стропвафля
Een stroopwafel bij de koffie is heerlijk.
studentB1
студент
Als student krijg je korting.
studerenB1
учиться, заниматься
Ik studeer elke avond twee uur.

