Словарь
229 слов · страница 6 из 10
de spelerA2
игрок
Elke speler krijgt aan het begin vijf kaarten.
het spelletjeB1
игра
Zullen we een spelletje doen?
de spelregelB1
правило игры
Leg de spelregels eerst uit.
de spiegelA1
зеркало
Er hangt een spiegel in de gang.
de spierA1
мышца
Na het sporten doen mijn spieren pijn.
de spinazieA1
шпинат
Spinazie zit vol ijzer.
de spitsB1
час пик
Reis liever buiten de spits.
острый, заострённый
Het dak van de kerk loopt spits toe.
het spitsuurB1
час пик
Vermijd het spitsuur als het kan.
de spoedA2
неотложный случай
Bij spoed belt u dit nummer.
het spoedgevalB1
экстренный случай
Bij een spoedgeval belt u 112.
het spoorB1
путь (ж/д); след
De trein naar Utrecht vertrekt van spoor vijf.
de spoorlijnB1
железнодорожная линия
De spoorlijn wordt volgend jaar vernieuwd.
de sportA1
спорт
Welke sport doe jij?
het sportabonnementB1
абонемент в спортзал
Mijn sportabonnement loopt per maand.
het sportevenementB1
спортивное мероприятие
Het sportevenement trekt duizenden bezoekers.
sportiefB1
спортивный
Hij is heel sportief.
de sportkantineB1
буфет спортклуба
Na de wedstrijd zitten we in de sportkantine.
de sportprestatieB1
спортивный результат
Zijn sportprestaties zijn indrukwekkend.
de sportschoolB1
спортзал
Ik ga drie keer per week naar de sportschool.
de sportuitrustingB1
спортивная экипировка
Neem je eigen sportuitrusting mee.
het sportveldB1
спортплощадка
Achter de school ligt een sportveld.
de spreekbeurtB1
устное выступление
Mijn dochter houdt morgen een spreekbeurt.
de spreekkamerB1
кабинет врача
De dokter roept u zo in de spreekkamer.
de spreektaalB1
разговорная речь
In spreektaal zeg je dat korter.
het spreektempoB1
темп речи
Zijn spreektempo ligt erg hoog.

