Словарь
54 слов · страница 2 из 3
slechtA1
плохой
Het weer is vandaag slecht.
sleutelbosA1
связка ключей
Mijn sleutelbos ligt op de kast.
sluitenA1
закрывать
De deur sluit automatisch.
snelA1
быстрый
Hij loopt heel snel.
snoepA1
конфеты, сладости
Kinderen eten te veel snoep.
soepA1
суп
De soep is nog te heet.
sokA1
носок
Ik kan mijn sokken niet vinden.
sommigeA1
некоторые
Sommige winkels zijn zondag open.
somsA1
иногда
Soms neem ik de bus.
sorryA1
извините
Sorry, ik ben te laat.
spelenA1
играть
De kinderen spelen in de tuin.
spiegelA1
зеркало
Er hangt een spiegel in de gang.
spierA1
мышца
Na het sporten doen mijn spieren pijn.
spinazieA1
шпинат
Spinazie zit vol ijzer.
springenA1
прыгать
Hij sprong over de sloot.
spullenA1
вещи
Neem je spullen mee.
staanA1
стоять
De auto staat voor het huis.
stadA1
город
Amsterdam is een grote stad.
sterkA1
сильный
Hij is heel sterk.
stiefmoederA1
мачеха
Zijn stiefmoeder woont bij hen in huis.
stilA1
тихий
Wees even stil, alsjeblieft.
stoelA1
стул
Neem een stoel en ga zitten.
stopcontactA1
розетка
Er is hier geen stopcontact.
straatA1
улица
Ik woon in een rustige straat.
straksA1
скоро, попозже
Ik bel je straks even terug.

