Словарь
43 слов · страница 2 из 2
rijdenA2
ехать, водить
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
rijkA1
богатый
Zij komt uit een rijke familie.
rijstA1
рис
We eten vanavond rijst met groente.
roepenA1
звать, кричать
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
помешивать
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
rommelA1
беспорядок
Wat een rommel in deze kamer!
rondA1
круглый
De tafel is rond.
roodA1
красный
Ze draagt een rode jas.
roomA1
сливки
Wil je room bij de koffie?
roosterA2
график, расписание
Het rooster voor volgende week hangt er.
rotondeA2
круговое движение
Neem op de rotonde de tweede afslag.
rozeA1
розовый
Zij draagt een roze jurk.
rugA1
спина
Ik heb last van mijn rug.
rugzakA1
рюкзак
Mijn boeken zitten in mijn rugzak.
ruikenA2
пахнуть, нюхать
Het ruikt hier lekker.
ruilenA2
обменять
Kan ik deze jas ruilen?
rustA2
покой, отдых
De dokter zei dat ik rust nodig heb.
rustigA2
спокойный, тихий
Het is hier lekker rustig.

