Словарь
65 слов · страница 1 из 3
paarA1
пара, несколько
Ik blijf nog een paar dagen.
pakjeA1
посылка, пачка
Er ligt een pakje voor je bij de buren.
panA2
кастрюля, сковорода
Doe de groente in de pan.
papierA1
бумага
Schrijf het op een blaadje papier.
paprikaA1
сладкий перец
Snijd de paprika in reepjes.
parapluA1
зонт
Neem een paraplu mee, het gaat regenen.
parkA1
парк
We wandelen graag in het park.
parkeerbeleidB1
парковочная политика
Het parkeerbeleid in de stad is streng.
parkeerplaatsB1
парковочное место
Er is geen parkeerplaats vrij.
parkeertariefB1
тариф на парковку
Het parkeertarief in het centrum is hoog.
parkeervergunningB1
разрешение на парковку
In het centrum heb je een parkeervergunning nodig.
partnerA1
партнёр
Mijn partner werkt in het onderwijs.
pastaA1
макароны
Vanavond maak ik pasta.
patatA1
картофель фри
Op vrijdag eten we patat.
patiëntB1
пациент
De patiënt is goed hersteld.
patiëntendossierB1
медицинская карта
U mag uw patiëntendossier inzien.
pauzeA2
перерыв
We hebben om twaalf uur pauze.
pechA2
поломка; невезение
Ik had pech met de auto onderweg.
peerA1
груша
Deze peer is heel zoet.
penA1
ручка
Heb je een pen voor me?
peperA1
перец
Doe er wat peper op.
perronA2
платформа
De trein vertrekt van perron 5.
personeelA2
персонал
Het restaurant zoekt nieuw personeel.
personeelsgesprekB1
беседа с сотрудником
Het personeelsgesprek duurt een half uur.
personeelslidB1
сотрудник
Elk personeelslid krijgt een eigen pas.

