Словарь
48 слов · страница 1 из 2
paarA1
пара, несколько
Ik blijf nog een paar dagen.
pakjeA1
посылка, пачка
Er ligt een pakje voor je bij de buren.
panA2
кастрюля, сковорода
Doe de groente in de pan.
papierA1
бумага
Schrijf het op een blaadje papier.
paprikaA1
сладкий перец
Snijd de paprika in reepjes.
parapluA1
зонт
Neem een paraplu mee, het gaat regenen.
parkA1
парк
We wandelen graag in het park.
partnerA1
партнёр
Mijn partner werkt in het onderwijs.
pastaA1
макароны
Vanavond maak ik pasta.
patatA1
картофель фри
Op vrijdag eten we patat.
pauzeA2
перерыв
We hebben om twaalf uur pauze.
pechA2
поломка; невезение
Ik had pech met de auto onderweg.
peerA1
груша
Deze peer is heel zoet.
penA1
ручка
Heb je een pen voor me?
peperA1
перец
Doe er wat peper op.
perronA2
платформа
De trein vertrekt van perron 5.
personeelA2
персонал
Het restaurant zoekt nieuw personeel.
pijnA1
боль
Heb je veel pijn?
pijnstillerA2
обезболивающее
Neem een pijnstiller tegen de hoofdpijn.
pilA2
таблетка
Neem één pil bij het eten.
pinbetalingA2
оплата картой
Alleen pinbetaling is hier mogelijk.
pindakaasA1
арахисовая паста
Pindakaas is populair in Nederland.
pinpasA2
банковская карта
Mijn pinpas werkt niet meer.
pizzaA1
пицца
Vanavond bestellen we pizza.
plaatsA1
место
Is deze plaats vrij?

