Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

31 слов · страница 1 из 2

  • het paarA1

    пара, несколько

    Ik blijf nog een paar dagen.

  • het pakjeA1

    посылка, пачка

    Er ligt een pakje voor je bij de buren.

  • de papaA1

    папа

    Papa brengt ons morgen met de auto naar school.

  • het papierA1

    бумага

    Schrijf het op een blaadje papier.

  • de paprikaA1

    сладкий перец

    Snijd de paprika in reepjes.

  • de parapluA1

    зонт

    Neem een paraplu mee, het gaat regenen.

  • het parkA1

    парк

    We wandelen graag in het park.

  • de partnerA1

    партнёр

    Mijn partner werkt in het onderwijs.

  • de pastaA1

    макароны

    Vanavond maak ik pasta.

  • de patatA1

    картофель фри

    Op vrijdag eten we patat.

  • de peerA1

    груша

    Deze peer is heel zoet.

  • de penA1

    ручка

    Heb je een pen voor me?

  • de peperA1

    перец

    Doe er wat peper op.

  • de pijnA1

    боль

    Heb je veel pijn?

  • de pindakaasA1

    арахисовая паста

    Pindakaas is populair in Nederland.

  • de pizzaA1

    пицца

    Vanavond bestellen we pizza.

  • de plaatsA1

    место

    Is deze plaats vrij?

  • het plafondA1

    потолок

    Het plafond is net geverfd.

  • het planA1

    план

    Wat is het plan voor morgen?

  • de plantA1

    растение

    Vergeet de planten niet water te geven.

  • het pleinA1

    площадь

    Op het plein is elke week markt.

  • de politieA1

    полиция

    Na het ongeluk belde ik meteen de politie.

  • de polsA1

    запястье

    Ik heb mijn pols verstuikt.


    пульс

    De verpleegkundige voelt eerst je pols.

  • de portemonneeA1

    кошелёк

    Mijn portemonnee zit in mijn tas.

  • de postzegelA1

    марка

    Je hebt een postzegel nodig voor deze brief.