Словарь
24 слов · страница 1 из 1
paarA1
пара, несколько
Ik blijf nog een paar dagen.
pakjeA1
посылка, пачка
Er ligt een pakje voor je bij de buren.
papierA1
бумага
Schrijf het op een blaadje papier.
paprikaA1
сладкий перец
Snijd de paprika in reepjes.
parapluA1
зонт
Neem een paraplu mee, het gaat regenen.
parkA1
парк
We wandelen graag in het park.
partnerA1
партнёр
Mijn partner werkt in het onderwijs.
pastaA1
макароны
Vanavond maak ik pasta.
patatA1
картофель фри
Op vrijdag eten we patat.
peerA1
груша
Deze peer is heel zoet.
penA1
ручка
Heb je een pen voor me?
peperA1
перец
Doe er wat peper op.
pijnA1
боль
Heb je veel pijn?
pindakaasA1
арахисовая паста
Pindakaas is populair in Nederland.
pizzaA1
пицца
Vanavond bestellen we pizza.
plaatsA1
место
Is deze plaats vrij?
plafondA1
потолок
Het plafond is net geverfd.
plantA1
растение
Vergeet de planten niet water te geven.
pleinA1
площадь
Op het plein is elke week markt.
polsA1
запястье
Ik heb mijn pols verstuikt.
portemonneeA1
кошелёк
Mijn portemonnee zit in mijn tas.
postzegelA1
марка
Je hebt een postzegel nodig voor deze brief.
preiA1
лук-порей
Doe wat prei in de soep.
prullenbakA1
мусорная корзина
Gooi het papier in de prullenbak.

