Словарь
20 слов · страница 1 из 1
ochtendA1
утро
In de ochtend drink ik koffie.
ofA1
или
Wil je thee of koffie?
oktoberA1
октябрь
In oktober vallen de bladeren.
olijfA1
олива, маслина
Wil je olijven bij de borrel?
omaA1
бабушка
Mijn oma is tachtig jaar.
omdatA1
потому что
Ik kom niet, omdat ik moet werken.
onderA1
под
De doos staat onder het bed.
oogA1
глаз
Er zit iets in mijn oog.
ookA1
тоже, также
Ik kom ook mee.
oomA1
дядя
Mijn oom woont in Duitsland.
oorA1
ухо
Mijn oor doet pijn.
opA1
на
Het boek ligt op tafel.
opaA1
дедушка
Mijn opa vertelt graag verhalen.
openA1
открытый
De winkel is nog open.
openenA1
открывать
De winkel opent om negen uur.
oranjeA1
оранжевый
Het Nederlands elftal speelt in oranje.
oudA1
старый
Dit is een oud gebouw.
oudersA1
родители
Mijn ouders wonen nog in Polen.
overA1
о; через (время)
We praten later over dit probleem.
overmorgenA1
послезавтра
Overmorgen begint mijn vakantie.

