Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

27 слов · страница 1 из 2

  • ochtendA1

    утро

    In de ochtend drink ik koffie.

  • oefeningA2

    упражнение

    Maak oefening drie op bladzijde tien.

  • oefentoetsA2

    пробный тест

    Maak eerst een oefentoets.

  • oktoberA1

    октябрь

    In oktober vallen de bladeren.

  • olieA2

    масло (растительное)

    Bak het in een beetje olie.

  • olijfA1

    олива, маслина

    Wil je olijven bij de borrel?

  • omaA1

    бабушка

    Mijn oma is tachtig jaar.

  • onderhoudA2

    обслуживание, уход

    Het onderhoud van de tuin kost tijd.

  • onderwerpA2

    тема

    Dat is een moeilijk onderwerp.

  • ontbijtA2

    завтрак

    Ik sla het ontbijt nooit over.

  • oogA1

    глаз

    Er zit iets in mijn oog.

  • oogartsA2

    офтальмолог

    De huisarts stuurde mij naar de oogarts.

  • oomA1

    дядя

    Mijn oom woont in Duitsland.

  • oorA1

    ухо

    Mijn oor doet pijn.

  • oorpijnA2

    боль в ухе

    Het kind heeft oorpijn.

  • opaA1

    дедушка

    Mijn opa vertelt graag verhalen.

  • opdrachtA2

    задание, поручение

    Ik heb deze opdracht van mijn baas gekregen.

  • operatieA2

    операция

    De operatie is goed gegaan.

  • oplossingA2

    решение

    Er is vast een oplossing.

  • opnameA2

    снятие денег

    Voor elke opname bij een andere bank betaal je kosten.

  • oranjeA1

    оранжевый

    Het Nederlands elftal speelt in oranje.

  • oudA1

    старый

    Dit is een oud gebouw.

  • oudersA1

    родители

    Mijn ouders wonen nog in Polen.

  • ovenA2

    духовка

    Zet de oven op 180 graden.

  • ovenschaalA2

    форма для запекания

    Doe alles in een ovenschaal.