Словарь
11 слов · страница 1 из 1
ochtendA1
утро
In de ochtend drink ik koffie.
oktoberA1
октябрь
In oktober vallen de bladeren.
olijfA1
олива, маслина
Wil je olijven bij de borrel?
omaA1
бабушка
Mijn oma is tachtig jaar.
oogA1
глаз
Er zit iets in mijn oog.
oomA1
дядя
Mijn oom woont in Duitsland.
oorA1
ухо
Mijn oor doet pijn.
opaA1
дедушка
Mijn opa vertelt graag verhalen.
oranjeA1
оранжевый
Het Nederlands elftal speelt in oranje.
oudA1
старый
Dit is een oud gebouw.
oudersA1
родители
Mijn ouders wonen nog in Polen.

